Tot deze tijd was er slechts sprake van een rode of zwarte kleur. Maar
in de geïsoleerde rotsige bergen van Noord China, Mandsjoerije en
Mongolië fokten de monniken in de Boeddhistische Lamakloosters blauwe
Chows. De oude Chinezen waren meesters in het fokken op kleur en het
moet ze veel tijd gekost hebben om een constante perfecte kleur zachtblauw
te bereiken. Deze blauwe Chows werden gebruikt om de kloosters te
bewaken en te beschermen,
het vee te hoeden en te jagen en werden door
de monniken zorgvuldig bewaakt. Deze blauwe Chows onderscheidden zich
niet alleen door hun blauwe kleur maar waren groter en hadden betere botten.
Bij het eindigen van de Tang-dynastie ontstond een toenemende armoede
en, behalve in de kloosters, stopte het selectieve fokken. Er waren geen
keizerlijke jachtpartijen meer. De originele volbloed Chows kwamen alleen
nog voor in de huishoudingen van welgestelde kooplieden, edelen en in de
kloosters. De zuinige, commercieel ingestelde Chinezen begonnen hondenfarms.
De Chows waren niet alleen nuttig bevonden bij het veehoeden, jagen,
sleeën en bewaken, maar hadden ook een prachtige pels en bleken eetbaar
te zijn. In de noordelijke districten werden grote hondenfarms opgezet
waar Chows werden gefokt voor hun pels en waar ze op een leeftijd van
10 â 12 maanden werden gewurgd om de pels niet te beschadigen. Strikte
etiquetteregels schreven voor dat over een tuniek, afgezet met honde- of
schapenvacht geen tweede tuniek gedragen mocht worden omdat dit de schoon-
heid van het kostuum aan het oog onttrok. Aan een boerenmeisje uit
Mandsjoerije ging trouwen kreeg ze een bruidsschat van tenminste 6 Chows
om een farm te kunnen beginnen.